De opvolger bij Binderij Kloosterman

Erik Vogelaar is directeur en enig aandeelhouder van Binderij Kloosterman in Amsterdam. Vogelaar heeft slecht één doel: ervoor te zorgen dat zijn 75-jarige bedrijf niet naar de knoppen gaat door een ondoordachte opvolging. ‘Er zou eigenlijk een wet moeten zijn die een enig aandeelhouder verplicht om zijn opvolging direct te regelen wanneer hij aantreedt.’

Familiebedrijven uit alle sectoren lijken op elkaar. Het komt door de heikele kwestie die opvolging heet. Geen enkele ondernemer ontkomt eraan en toch regelt slechts veertig procent die overname naar behoren. Zestig procent zet dus het voortbestaan van de onderneming op het spel. En een kleine honderd procent van de ondernemers, bijna niemand dus, praat niet graag over de kwestie — waarschijnlijk omdat zij lering hebben getrokken uit een tumultueus verleden. En die vuile was houden ze, niet geheel onbegrijpelijk, liever binnen.
Zo zou ieder gesprek over het familiebedrijf dus eigenlijk over niets gaan, ware het niet dat er toch steeds weer ondernemers blijken te zijn die graag een tipje van de sluier oplichten en voorzichtig, heel voorzichtig, laten zien hoe zij het hebben gedaan. Erik Vogelaar is er zo een. Hij wil best over opvolging praten, maar: met enige voorzichtigheid.

Onderaan
De 42-jarige Amsterdammer is enig aandeelhouder van Binderij Kloosterman in Amsterdam. Al heel jong wist hij het antwoord op de vraag wat hij worden zou: binder. ‘Het is gewoon een mooi vak’, zegt hij. Zijn houding is terughoudend. Hoewel hij nog twee broers heeft en een zus, was hij de enige die het familiebedrijf in wilde. Vijftien jaar geleden kwam Vogelaar in de binderij van zijn vader na een geijkt pad te hebben doorlopen: eerst de grafische school, voorts negen maanden bij een andere binder voor de nodige werkervaring buiten het nest, tenslotte de entree in het eigen familiebedrijf. Erik Vogelaar begon helemaal onderaan, als hulpvak-arbeider. ‘Je moet voelen hoe het is. Het is helemaal niet erg om je handen te laten wapperen’, zegt hij. Van hieruit werkte hij zich stilaan omhoog om uiteindelijk in zijn functie als mede-directeur samen te werken met zijn vader.
De opa van Vogelaar kon de binderij in 1922 overnemen. Het zou de start zijn van een opmerkelijke bedrijf; solidariteit en gemeenschapszin lopen als een rode draad door de historie. De grondlegger, zijn opvolger en nu Erik Vogelaar hebben zichzelf en de binderij in dienst gesteld van het personeel. ‘We hebben altijd ons eigen belang ondergeschikt gesteld aan dat van de binderij. Alles wat we verdienden, hebben we in het bedrijf gestopt. Dat doe ik ook. Er is niets dat eigendom van de bank is. Dat is een zekerheid voor de medewerkers omdat de zaak zo zijn eigen financiële buffer is. We hebben nog nooit in ons 75-jarige bestaan mensen moeten ontslaan omdat we te weinig werk hadden. Slappe tijden hebben we altijd uit eigen middelen opgevangen. Het klinkt misschien ongeloofwaardig, toch is het zo. We zijn allen opgevoed om te delen. Het bedrijf is heel belangrijk, we zien het als een kind waar we verantwoordelijk voor zijn.’

Verantwoordelijk
Pas vijf jaar geleden nam Vogelaar de zaak over. Senior had tot zijn vijfenzeventigste doorgewerkt. Junior: ‘Ik heb echt tegen hem moeten zeggen: “hou er nou eens mee op en ga genieten van je rust, je hebt het verdiend!”’ Af en toe is senior, inmiddels 82 jaar, nog op de zaak te vinden. Hij heeft er nog een eigen kantoorruimte waar hij relaties kan ontvangen. ‘Het is zijn lust en zijn leven’, zegt Vogelaar. ‘Mijn vader is nog steeds gek op het vak. Het maakt natuurlijk niet uit hoe oud je bent als je iets leuk vindt. Bovendien is mijn vader heel jong van geest. Altijd geweest. We waren een van de eersten in de grafische sector die de voor- en nacalculatie helemaal automatiseerden. Nee, we hebben altijd perfect samengewerkt.’
Opmerkelijk genoeg adviseert senior zijn zoon niet. In de meeste familiebedrijven fungeert de teruggetreden vader als klankbord, maar dit is niet het geval bij de firma Kloosterman. Waarom niet? ‘Dat hebben we zo afgesproken’, zegt Vogelaar junior. Ik draag de boel nu en mijn vader geeft me alle vertrouwen. De medewerkers zijn mijn klankbord. Ik overleg altijd alles intern, óók beslissingen over grote investeringen. Die praat ik met het middenkader door èn met de mensen waar het om gaat. Ik bedoel: als er een nieuwe machine moet komen, overleg ik dat met degenen die er mee moeten werken. Dat is niet meer dan logisch.’ Toen zijn vader nog de scepter zwaaide was dat anders. Maar zegt Vogelaar, ‘ik wil mensen verantwoordelijk maken voor het werk dat zij doen’.

De dupe
Erik Vogelaar kocht vijf jaar geleden de aandelen van zijn vader. Een ingewikkelde constructie kwam hier niet aan te pas. Vader en zoon stapten naar de bank en junior betaalde de gewone prijs voor de binderij ofwel: wat-tie waard was. Hij had al vijftig procent van de aandelen in handen en kocht nu de overige.
Vogelaar denkt veel na over zijn opvolging — ook al is die nog lang niet in zicht. De ondernemer heeft hier slechts één reden voor: het personeel mag nooit de dupe worden van een ondoordachte regeling. Kinderen heeft Vogelaar niet en de wijze waarop zijn vader een en ander had geregeld, had beter gekund. Senior had namelijk helemaal niets geregeld en stelde de eis dat zijn zoon dit beter zou doen. Vogelaar vindt het vreemd dat zovele eigenaren van familiebedrijven hun opvolging zo slecht regelen. ‘Je moet niet wachten tot je oud bent’, waarschuwt hij. ‘Het maakt immers niet uit hoe oud je bent, ik bedoel, als je morgen onder een auto loopt en er staat helemaal niets op papier….’
Vogelaar voert een vurig pleit voor een wetgeving die alle grootaandeelhouders van familiebedrijven verplicht om hun opvolging te regelen zodra ze het bedrijf hebben overgenomen. Zelf wil hij een stichting in het leven roepen die zijn opvolging zal stroomlijnen. Vogelaar: ‘Je kunt niet gecertificeerde aandelen in een stichting onderbrengen en vervolgens drie bestuurders aanwijzen. Dit drietal kan, bij een onverwacht overlijden van de eigenaar en enig aandeelhouder, een nieuwe directeur zoeken. Zo voorkom je dat het bedrijf in gevaar komt. Het is ook voor de klanten van belang te weten dat een familiebedrijf de opvolging goed heeft geregeld. Onze klanten moeten weten dat hun drukwerk hier veilig staat en ook hun eigendom blijft. Ik wil het allemaal goed regelen, anders kan ik ’s nachts niet slapen, lig ik de hele nacht wakker.’

Motto
Vogelaar wil niet dat de zaak in handen komt van een ondernemer die wellicht als enig doel heeft de binderij zo snel mogelijk te gelde te maken. Hij wil te zijner tijd een gezond en kapitaalkrachtig bedrijf verkopen. ‘Als voorwaarde stel ik dat de werkgelegenheid gegarandeerd wordt door de overnemer. Dat is het allerbelangrijkste voor mij. Mijn ouders dachten er ook zo over. We hebben nooit het bedrijf voor de mensen laten gaan. Er werken hier veertig mensen, als ondernemer ben ik verantwoordelijk voor veertig gezinnen en veertig pensioenen. Alles zal in overleg gebeuren met de medewerkers. Ons motto is: de mensen moeten hun pensioen hier kunnen halen. Nee, ik noem Kloosterman Binderij geen familiebedrijf.’
Om de continuïteit van Binderij Kloosterman verder te waarborgen, richtte Vogelaar in 1994 samen met drie andere binders uit de Amsterdamse regio “de Amsterdamse afwerkers” op. ‘Binderij Kloosterman zit vooral op de markt van de moeilijkere producten. Daar komt veel vakkennis bij kijken en dat is meteen het leuke ervan. Iedere deelnemende binder heeft zijn eigen specialiteit. Zo hoeven we nooit “nee” te verkopen aan een klant. Gevieren kunnen we onze klanten de hele range aan mogelijkheden bieden. Wat ik niet in huis heb, heeft mijn collega wel.’

Pensioen
Uiteraard heeft Vogelaar ook goed nagedacht over zijn pensioen. Zijn vader had, zoals veel andere ondernemers, zijn pensioen fysiek in de zaak zitten. Naast Binderij Kloosterman had senior elders in het land een uitgeverij, een drukkerij en een tweede binderij. Deze bedrijven waren ooit overgenomen met het idee dat als de kinderen een eigen bedrijf wilden, zij er allen een konden krijgen. Aangezien niemand, met uitzondering van Erik, dit wilde, verkochten senior en zijn vrouw het stel. De opbrengst is hun oudedagsvoorziening.
Maar Erik wil het anders en bouwt zijn pensioen los van de zaak op. ‘Ik wil de binderij niet opzadelen met mijn pensioen. Als ik stop wil ik niemand lastig vallen.’

(Eerder gepubliceerd in Het Grafisch Weekblad, 1998)

0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *