Familie in zaken o.l.v. Gerrit van der Valk

Wie in Nederland van a naar b gaat, passeert zonder twijfel een Van der Valk motel. Gerrit Van der Valk, jaren lang één van de topmannen van het informeel geleide familiebedrijf, introduceerde dit van oorsprong Amerikaanse logement in Nederland.Een gesprek met Gerrit van der Valk, zijn neef Martin Zeeuw van der Laan en dochter Debbie Zeeuw van der Laan; hoe het allemaal begon en hoe het ze vergaat.

Het lijkt erop dat al wat de Valken aanraken, in goud verandert. Niet zelden wordt het familieconcern benaderd om een noodlijdend pretpark over te nemen. Neem Avifauna: de gemeente Alphen aan den Rijn zat met het park in haar maag. Wilde het niet opdoeken want wilde zo’n trekpleister niet kwijt. Dus klopten de raadslieden aan bij Van der Valk. Hetzelfde verhaal kunnen de Valken vertellen over de pier in Scheveningen. Scheveningen wilde haar attractiviteit als badplaats ‘waar je wezen moet’ vergroten, maar had een vervallen pier en geen geld. Ook de Zuid-Hollandse kustplaats polste de Valken. Volgens Martin Zeeuw van der Laan, een neef van Gerrit van der Valk, is dat niet zonder reden. ‘De aanwezigheid van een Van der Valk bedrijf heeft een grote spin-off naar de omgeving. Er worden niet alleen banen gecreëerd maar het wordt ook aantrekkelijk voor andere bedrijven zich daar te vestigen.’
De successtory van de Valken – zoals ze elkaar noemen – begint eenvoudig: in het drinklokaal de Gouden Leeuw in Voorschoten. Hier bouwde de vader van Gerrit van der Valk, Martin, het café van zijn vader uit tot het eerste Van der Valk hotel. In 1939 opende hij de deuren van een vernieuwde Gouden Leeuw: een hotel met acht kamers mèt stromend water. Hiernaast boerde Martin van der Valk, was garagehouder en verhandelde al wat verhandelbaar was.
Zijn elf kinderen groeiden op in de Gouden Leeuw. Vader Martin was een echte family man; wilde al zijn kinderen een eigen hotel geven. Maar nummer zes, Gerrit, wist niet of hij wel voor een leven in de horeca zou kiezen. Anders gezegd: hij wist niet wat hij kiezen moest, hij vond zoveel dingen leuk. Aan tafel in zijn eerste Nederlandse motel in het Brabantse Nuland, vertelt hij hoe het allemaal begon.

Motels in Nederland
‘Na de oorlog nam ik de autohandel van mijn vader over en maakte er een garage van. Maar ik heb van alles ondernomen, ik ging in de veehouderij, werkte in het restaurant, heb bollen geteeld, een steenfabriek gehad, een suikerwerkfabriek… Ik heb altijd gedacht: wat moet ik gaan doen? Word ik handelaar of ober of kok? Waar ben ik geschikt voor? Koeienmelker of koeienhandelaar? Bovendien dacht ik: als ik later kindertjes krijg, moet ik ook zorgen dat ik voor hen te eten heb! Daar heb ik net als mijn vader mijn levensfilosofie van gemaakt.’
In 1952 toog Gerrit naar Amerika om er een living te maken, zoals hij zegt. In het land van onbegrensde mogelijkheden maakte hij kennis met motels. ‘Het waren losstaande hokjes waar eens de katoenplukkers sliepen. Na de oorlog hebben slimmeriken die hokjes bij elkaar gezet met een los restaurantje erbij en een drive-in-barretje. Toen ik dat zag, dacht ik meteen: dat ga ik ook doen.’

Een half jaar later keerde Gerrit terug, trouwde en kwam terecht in Vught. Na de Haagsche Schouw, de Bijhorst, de Witte Berghen, de Biltsche Hoek en de Molenhoek had vader Martin hier een zesde Van der Valk hotel gekocht, De Witte. De pater familias uit Voorschoten gaf ook de overige broers en zussen van Gerrit een eigen hotel. Na elf aankopen vond hij het wel voldoende. Tien kinderen vonden het ook goed. Maar Gerrit wilde meer en zei: “ik luister niet naar jullie. We hebben 85 kinderen en kleinkinderen, dus moeten er 85 hotels bijkomen!” Het Amerikaanse motel in Nederland introduceren, was wat hij wilde.
Samen met zijn vrouw Toos runde hij De Witte (‘het is volgelopen en nooit meer leeg geweest’) en in de avonduren taxeerde hij auto’s. Onderwijl speurde Gerrit naar goede locaties voor zijn motels. Aan de Rijksweg in Nuland vond hij er één en bouwde hier zijn eerste motel. Aan de voorzijde stond het motel op een terp, aan de achterzijde waren 36 kamers, elk had een eigen garage.
In een mum van tijd stonden er motels in Eindhoven, Wouw en Gilze. Het liep overal storm. ‘De eerste tijd kregen de gasten van het restaurant de kamers voor niks want de zaak liep erg goed. Later zijn we er geld voor gaan vragen. Ik zeg nu wel eens tegen de anderen dat ze de prijzen van de kamers omlaag moeten gooien. Wat, zeggen ze dan, omhoog! Maar zolang we partijen en vergaderingen boeken, kunnen we de kamers voor niks weg geven. Het restaurant loopt zó goed! Ons grote verlies zit in de auto’s die voorbij rijden.’

Ivoren torens
Martin Zeeuw van der Laan is de zoon van de zus van Gerrit. Hij is de eerste van de tweede generatie Valken en groeide op in hotel de Witte Berghen. In 1977 kocht de familie de Cantharel in Ugchelen, bij Apeldoorn. Omdat Martin de oudste was, kreeg hij dit bedrijf onder zijn hoede. Sinds kort werkt ook zijn dochter Debbie, nummer vier van de derde generatie, fulltime in de zaak. Volgens goed Valken-gebruik werkte zij al op jonge leeftijd mee. Wat is jong? ‘Zodra je in de jurk past, mag je in het restaurant werken’, vertelt Debbie. Haar vader vult aan. ‘Toen ze vijf was, waste ze al glaasjes.’
[/twocol_one]Hoewel de Valken inmiddels zo’n 55 motels, hotels en restaurants hebben – vergeet België, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Curacao niet – en de familie meer dan 200 telgen telt, is in al die jaren de wijze waarop een nieuw motel van de grond komt, onveranderd gebleven. Niets ivorens torens en toezicht. Handen uit mouwen en helpen. Het geldt voor iedereen. ‘Er loopt een paar honderd man rond om zo’n zaak te openen, familieleden en medewerkers die al lang voor ons werken. Je vraagt je soms af of het ze lukt om op tijd klaar te zijn. Maar dan komen ze met stoelen, bezems, stofzuigers en alles gaat draaien. En ’s avonds kijken we of er gasten zijn binnengekomen en wie van de familie achterblijft. Ik heb nooit van te voren geweten wie er in kwam en erin bleef’, zegt Gerrit van der Valk.

Concurrenten
Alle motels worden gerund door Valken en altijd in duo: man en vrouw. Opmerkelijk genoeg vindt de aanhang het werk ook leuk – de meesten zijn per slot van rekening niet uit de horeca afkomstig. De dissidenten zijn dan ook op één hand te tellen. ‘Mijn vriend moet heus niet bij ons werken, maar is nu wel per ongeluk in Zwolle aan het werk’, schertst Debbie. De Valken wippen vaak even bij hun collega’s aan. En heeft de een het te druk, dan helpt de ander een handje. Zo sprong Debbie de hele zomer bij in Hengelo. Van concurrentie op het zakelijke vlak is volgens Van der Laan geen sprake. ‘We hebben voor de in- en de verkoop vastgestelde prijzen. Dus daarmee kun je niet concurreren. Wel probeert ieder de lekkerste keuken te hebben. En het is natuurlijk fijn wanneer iemand zegt dat hij het hier leuker vindt dan daar. Ik denk dat ieder daar wel een beetje voor vecht. Je duwt elkaar omhoog en laad je steeds weer op.’
Een doelgroep heeft de familie eigenlijk niet, dat wil zeggen: iedereen moet zich thuis kunnen voelen. Het is ook één van de oorzaken dat het Voorschotense familiebedrijf zoveel succes oogste. Van der Laan: ‘Ik denk dat wij degenen zijn geweest die de drempels van het buiten de deur eten, hebben weggehaald. Hier is eenvoudigweg geen drempel. Of je nu in je camping-smoking of je echte smoking komt, het maakt niet uit. Kom maar binnen! Verder heeft iedereen dezelfde verwachtingen: we gaan naar Van der Valk want daar kunnen we lekker eten en het is er gezellig.’
Van der Laan beschouwt een klacht als een compliment. ‘Als iemand de moeite neemt om te zeggen “let op, het gaat niet goed”, dan bedoelt hij het goed met me. Als het hem helemaal niet interesseert of het wel of niet goed is, komt hij niet meer terug. Ik luister liever naar iemand die iets wil kopen dan wil verkopen.’ De Valken geloven heilig in de mening van hun gasten. Naar trendy beurzen gaan ze zo goed als nooit. Immers, wie zijn oor te luister legt bij de gasten, weet genoeg.

Bijbedrijven? Hobbies?
De Valken doen alles zelf. De familie heeft eigen boerderijen waar het slachtvee wordt gefokt, eigen slagerijen, bakkers, magazijnen enzovoort. Zelfs de keukenapparatuur en het zilverwerk komt uit eigen fabrieken. Alleen de groenten kopen de Valken dagelijks in op de veiling. Al zijn het uiteraard de wagens van Van der Valk die de waren distribueren. Gerrit spreekt van bijbedrijven, zijn neef Martin noemt het hobbies. Zo vangt één van de familieleden voor de kust van Chili de garnaaltjes die we weer terugvinden in de garnalencocktail. Van der Laan: ‘Als iemand een leuk idee heeft en het werkt, is het als een olievlek: iedereen gaat het proberen. Zo is één van ons begonnen met een brunch op zondag. Nu doet iedereen dat.’
Voor buitenstaanders blijft het wat vaag hoe de bedrijfsstructuur er nou precies uit ziet. Er zijn holdingen, veel holdingen. Er zijn vennootschappen, veel vennootschappen. En, als er al zoiets is als een bestuurscentrum, dan is het Voorschoten waar hoofdbroer Arie zetelt. Lange tijd voerde Gerrit van der Valk het bedrijf op informele wijze. Want, directeur was hij nooit. ‘Dat wilde ik ook niet zijn. Al die mensen wijzen: dikke directeur…’ Toen Italiaanse maffiosi zijn vrouw in 1982 ontvoerden, na een reeks afpersingen en bedreigingen, trok hij zich terug. Om overigens nog wel op de achtergrond te figureren als wijze man en door zijn kennis en nuchtere zakeninstinct toch ook weer op de voorgrond. In de woorden van neef Martin ‘een oude coach moet je niet aan de kant zetten want die weet nog precies hoe het allemaal gaat.’
Maar structuur? Gerrit van der Valk: ‘Er zit geen structuur in. Er zit moraliteit in, als structuur onder elkaar. En die is niet gemakkelijk kapot te krijgen, al gooit de overheid de knuppel in het hoederhok. Als er geen vervelende mensen zouden zijn, had ik gezegd: “maak er één holding van”. Maar toen ze bij ons vervelend gingen doen, met afpersingen, vond ik het beter om meerdere holdingen te maken. Als er eentje failliet zou gaan, konden de andere gewoon doorgaan. Zo heb ik een baby-holding gemaakt. Daar komen misschien wel 300 baby’s in! Die heb ik wel in stukken verdeeld zodat niemand een meerderheidsbelang heeft. Verder heb ik ook holdings in het buitenland. Ik spreek nu wel van “heb” maar ik heb niets. De Sint Jan in Den Bosch is niet van mij maar als ik priester zou zijn, zou ik praten over “mijn” kerk.’
Van der Laan vergelijkt de financiële huishouding met een huishoudportemonnee. ‘Als één van de kinderen boodschappen moet doen, neemt hij de beurs mee.’ Zo draagt iedere Valk bij aan de bouw van weer een nieuwe vestiging.

Fiscus
Het is juist die ondoorzichtigheid van het rijke familiebedrijf, die de fiscus tart. Of er salarissen zijn en wie wat krijgt, is onduidelijk. Maar, zeggen de Valken desgevraagd, ‘we leven van de zaak.’ Gerrit van der Valk: ‘Stel, een familie begint een textielzaakje. De eerste kan goed stikken, de tweede kort de broeken in en weer een derde gaat handelen. Ze doen allemaal wat. Er wordt nooit gesproken over geld, dus feitelijk heeft niemand een inkomen. Ze eten uit de zaak. Dat kan op den duur niet meer. Dan zegt de overheid dat iedereen een inkomen moet nemen en maar 36 uur mag werken. En dan zorgen ze (de overheid. FK) dat ze ruzie krijgen want wie staat in de winkel, wie maakt de ontwerpen, en, wie mag het meeste verdienen? Het wordt in vakjes ingedeeld. De lol van een familie is juist: de een helpt de ander. Toen wij nog klein waren, zei mijn vader “wie wordt de slager, wie wordt de bakker, dan hebben we altijd te eten en hoeven we niet altijd af te rekenen met elkaar.” Het is natuurlijk absurd, dat zou niet meer kunnen. Het gebeurt natuurlijk wel maar het kan niet.’

Van der Valk geest
Wie denkt dat de strijd die de fiscus met het familiebedrijf voert, vanwege vermeende zwartgeld-betalingen, het enthousiasme heeft getemperd, komt bedrogen uit. Volgens Gerrit van der Valk en zijn neef zitten de restaurants voller dan ooit tevoren. ‘En’, zegt Van der Laan, ‘het geeft extra motivatie om door te knokken.’ De familie is en bloc bezig met de bouw van een paar nieuwe motels. Het heeft zonder twijfel te maken met de Van der Valk-geest. Gerrit: ‘Deze is: het voorbeeld geven, optimistisch zijn, de mensen niet afzetten en geen woekerwinsten maken. Gewoon een beetje normaal doen! Als jij komt en je hebt honderd gulden om te besteden, kan ik in één keer die honderd gulden afpakken en kan ik meteen naar de belastingen. Maar, ik heb toch veel liever dat je twee keer komt! Dan moet ik wel twee keer werken, maar dat vind ik veel fijner. Zo delen we het toch!’ Volgens Gerrit van der Valk willen alle Valken het zo. ‘We zingen allemaal hetzelfde lied.’

1 reply

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *