De sterke drank van Oud Amsterdam

Roosje-zonder-doornen, Bruidstranen of Bittere Lijdenstroost, het zijn slechts enkele voorbeelden van oud-hollandse likeuren die de familie De Vreng van de Amsterdamse jenever- en likeurstokerij Oud Amsterdam maakt. Het familiebedrijf is bijna één eeuw oud, de recepten voor hun likeuren zijn eeuwenoud.

Amsterdam, hartje centrum. Op een hoek van de Nieuwendijk ligt de slijterij en likeurhandel van de gebroeders De Vreng, Rob en René. Zij vormen de derde generatie die achter de toonbank van het familiebedrijf staat, een van de laatste ondernemingen in Amsterdam die nog zelf likeuren maakt. Dat doet het bedrijf niet sinds gisteren. Grootvader Piet de Vreng, een gewezen scheepskok, nam in 1906 een Amsterdamse taveerne over. Hij ging zich toeleggen op zijn passie: likeur- en bitterrecepten.
De Nieuwendijk was in het begin van de eeuw nog een buurt van kruideniers, winkeliers en ambachtslieden; de befaamde Winkel van Sinkel zat om de hoek en de Kalverstraat moest nog als winkelstraat geboren worden. Op nummer 75 zat al sinds jaar en dag het proeflokaal Café De Zon. ‘We weten niet wanneer onze voorgangers begonnen zijn met de verkoop van drank’, vertelt René (34), de jongste broer die de historie van de slijterij samen met zijn vader op papier zette. ‘We weten dat op dit adres al in 1852 een café‚ zat, en waarschijnlijk ook al ver voor die tijd.’

Kwaaltjes
In het boekwerkje dat de familie De Vreng samenstelde, beschrijven zij de geschiedenis van hun likeur- en jeneverstokerij Oud Amsterdam. Zo leren we dat bitters in de vorige eeuwen vooral als medicijn werden ingezet om allerhande kwaaltjes te bestrijden. Ook likeur werd oorspronkelijk gebruikt als medicijn. Om de smaak wat aangenamer te maken, werd de drank gezoet. Vooral Amsterdam stond bekend om haar likeuren. Dat was niet verwonderlijk want de stad was in de hoogtijdagen van de VOC de specerijenstad bij uitstek. In de pakhuizen lagen allerlei onbekende specerijen opgeslagen, zoals kaneel en vanille. Het werden smaakmakers van likeuren.
In de Amsterdamse taveernes zoals die aan de Nieuwendijk 75, lagen achter het buffet vaten met verschillende drankjes opgeslagen in het drankorgel. De kruiden werden op de stromarkt gekocht bij de erven Hendrik Beerenburg. Leveranciers voor esprits (mengsel van alcohol en wisselende ingredienten) waren er genoeg: Levert, Hoppe, Bootz, van Zuylekom, Crispijn, Bols, Fockinc, het waren allemaal distilleerderijen die in Amsterdam waren gevestigd. Rob (40): ‘Er zijn nu nog drie distillateurs over in Amsterdam. Dat komt door de kaalslag in de jaren zestig toen jenever in grote hoeveelheden op de markt werd gebracht, het heeft velen de kop gekost.’ En dan: ‘Het is eenvoudiger om een kwalitatief slecht product te maken dan een goed!’

Fluitend
Alle woonlagen van het monumentale pand werden benut voor het familiebedrijf. De familie zelf woonde boven de zaak terwijl zij in de kelder en keuken allerlei recepten maakte. Hier lagen ook de jenevers te rijpen. René: ‘Als mijn opa als kastelein in de taveerne annex slijterij stond, had hij geen zicht op wat er zich in de kelder afspeelde. Hier lagen naast de tincturen en jenevervaten ook biervaten opgeslagen. Hij wilde dat de bezorgers van de biervaten hun werk fluitend zouden doen. Zo wist hij zeker dat ze niet stiekem van de voorraad proefden! Mijn opa maakte voor bijzondere gelegenheden speciale likeur. Er was ook grote vraag naar jenever; in de kelder lag dan ook een grote voorraad met jenever die daar jaren kon rijpen. In de oorlog, toen jenever een schaars goed was, kon hij nog aardig uit de voorraad putten.’
De zoon van de oprichter, Henk de Vreng, nam in 1947 de zaak over. Na de oorlog ging de Nederlander steeds meer jonge jenever drinken. De grote distillateurs voorzagen weliswaar in de groeiende vraag maar volgens de broers liet de kwaliteit te wensen over. ‘Mijn vader besloot daarom weer zelf jenever te gaan maken en een nieuwe voorraad aan te leggen in de kelder en in een entrepot in Rotterdam. Dat was inmiddels ongebruikelijk geworden, zelfs de distilleerderijen sloegen hun jenever niet meer zelf op. De taveerne deed hij in de jaren vijftig weg. Mijn vader was zich volledig gaan toeleggen op de het slijten van dranken, maken van jenever en likeuren.’

Ambachtslieden
René en Rob namen de zaak enkele jaren geleden van hun ouders over. De opvolging is nooit een issue geweest, het was gewoon vanzelfsprekend dat de beide broers in de zaak zouden komen. ‘Ik had eerder mijn slijtersdiploma dan mijn rijbewijs!’, zegt René. ‘Het begon ermee dat ik geen fles kon tegenkomen zonder te weten of te willen weten wat het was. Dat was als kind al zo. Ik leerde alles uit mijn hoofd en toen ik later met andere distillateurs in aanraking kwam, ging ik pas praten over de techniek.’ Ook Rob raakte al op jonge leeftijd bevangen. ‘Er zat vroeger een hele oude distilleerderij om de hoek en als jongetje speelde ik daar voor de deur. Dan werden de vaten met alcohol aangeleverd en dat rook heerlijk, het hééft iets. Binnen was het er altijd warm, de ketels draaiden, die geur van alcohol… dat pakt je of het pakt je niet.’ René vult aan: ‘Je hebt in deze branche meer met ambachtslieden te maken dan met zakenlieden. We gaan amicaal om en dragen geen strakke pakken.’
Zussen hebben ze ook, maar die hadden niet de ambitie om de fakkel van het ondernemersschap over te nemen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat ze geen bemoeienissen het familiebedrijf hebben, integendeel. De gezusters De Vreng staan regelmatig achter de toonbank in de winkel. En ook vader en moeder, die nog altijd boven de zaak wonen, helpen nog mee. Vooral met proeven, want het maken van de likeur is een echt familie-business. ‘Geen likeur smaakt hetzelfde’, verklaart Rob. ‘Wanneer we bijvoorbeeld kaneellikeur maken, mengen we de verschillende ingredienten. Recepten op papier hebben we niet, we wéten wat er in een bepaalde likeur hoort. Het is een kwestie van proeven, mengen en weer proeven. De hele familie proeft vervolgens of de likeur op smaak is.’

Familiegeheim
Er is in de loop der jaren niet veel veranderd. Het maken van jenever, kruidentincturen en likeur is nog altijd een ambachtelijk vak. De esprits krijgen de broers aangeleverd van distilleerderijen die deze speciaal voor Oud Amsterdam maken. In de kelder van de winkel worden ze verwerkt tot jenevers en likeuren. In totaal maakt de familie zo’n veertig likeuren en bitters. Vooral de oud-Hollandse likeuren trekken de aandacht vanwege hun buitenissige namen die zeer tot de verbeelding spreken maar niets over de inhoud verraden: Roosje zonder doornen, Hansje in de Kelder, Venus Olie, De Hooghe Noodt of Juffertje-in-het-groen.
Heeft de familie een oude likeur waarvan de receptuur strikt familiegeheim is? ‘Welnee’, zegt Rob nuchter. ‘Er wordt vaak zo romantisch gedaan over recepten. Het is een kwestie van ervaring, weten wat je erin moet doen en dan proeven.’ René legt uit dat distillateurs wel eigen recepten hadden maar die zijn in de loop der tijd verloren gegaan. ‘We maken wel zelf recepten of proberen een oude smaak na te maken. Twee populaire likeursoorten zijn de zoute drop-likeur en de zandplaatjes-likeur. Die zijn per toeval ontstaan.’

Guiness book of records
Tegenwoordig is de Nieuwendijk een winkelstraat als zovele met de bekende modewinkels en drogisterijen. De fraaie gevelreclame van De Vreng is de absolute blikvanger die herinnert aan de oude tijden. Ook het interieur zelf doet het verleden herleven. In vitrines staan bijzondere likeuren en jenevers in fraaie flessen en kruiken. Het interieur van de winkel wordt omlijst door ongeveer 15.000 miniatuur flesjes, een aantal dat nog steeds groeit en waarmee De Vreng het Guiness Book of Records haalde. Rob: ‘Ze kwamen ieder jaar tellen. Maar de laatste jaren zien we ze niet meer. Ze geloven het wel.’
Eerder gepubliceerd in FamilieBedrijf.

0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *