In veel bedrijven werkt de echtgenote van de directeur-eigenaar actief mee. Net als haar man is zij dagelijks op de zaak te vinden. En ook thuis worden de zaken nog eens doorgesproken: privé en werk laten zich moeilijk scheiden. Maar als de directeur-eigenaar overlijdt, wordt zijn vrouw vaak gepasseerd als een serieuze kandidaat voor de opvolging. Gaat zij daarentegen wèl in zaken, dan kan ‘de vrouw van’ rekenen op de nodige scepsis van omstanders. Toen de echtgenoot van mevrouw A.A.M.A. de Visser-Koot in 1985 overleed, besloot zij zijn bedrijf voort te zetten. “Natuurlijk word je vaak voor de secretaresse versleten”, vertelt zij. Maar verder valt het reuze mee.

De man mag dan wel de directeur-eigenaar zijn, de vrouw van de ondernemer werkt vaak volledig mee in de zaak. De rollen zijn verdeeld: hij bewerkt het voorland, zij het achterland. De taken doen niet voor elkaar onder. Maar wat als de man, het gezicht van de onderneming, komt te overlijden? Misschien zijn er kinderen die oud en rijp genoeg zijn om hem op te volgen. Misschien wordt de zaak verkocht. Misschien wordt een externe directeur aangetrokken. De meewerkende echtgenote komt vaak niet voor in de opsomming. De vrouw die directeur-eigenaar wordt, botst ongetwijfeld tegen een wal van weerstand. Wijlen haar man krijgt alle credits want hij was het gezicht van de zaak. En zijn vrouw? Die is de grote onbekende. Wie is zij maar vooral, wat kan zij?
“Ik was altijd als een soort ‘wormvormig aanhangsel’ op kantoor aanwezig.” Aldus omschrijft mevrouw A.A.M.A. de Visser-Koot, directeur-eigenaar van het Rotterdamse bedrijf Van Zwanenburg haar aanwezigheid in het bedrijf van wijlen haar echtgenoot. “Ik hoorde alle ins en outs en was overal bij betrokken. Maar: ik had geen enkele verantwoordelijkheid! Dat vond ik heerlijk, het is leuk opereren natuurlijk.” De Visser-Koot werkt als sinds 1975 voor Van Zwanenburg, een 150-jarig familiebedrijf dat is gespecialiseerd in non-food artikelen voor restaurants en keukens. De Rotterdammers installeren ook grootkeukens en dragen zorg voor onderhoud en reparaties hiervan. De drie halve dagen waarmee Visser-Koot begon, groeiden snel uit tot een volle week. Haar taken lieten zich niet onder één noemer vangen. “Officieel was ik secretaresse, maar ik deed ‘van alles’.”

Bang vogeltje
In 1985 overleed haar echtgenoot. Deze had zich jarenlang met hart en ziel ingezet voor Van Zwanenburg. Hij hield van de Rotterdamse onderneming en zijn vrouw al evenzeer. Een betere drijfveer had zij niet nodig en zij besloot de zaak voort te zetten. De Visser-Koot stapte op een tandem met de huidige commerciële directeur J.J. Krielen. “Ik heb gezegd: ‘we doen het samen’. Ik vind dat, zeker in een bedrijf, man en vrouw elkaar perfect aanvullen: daar waar de man het niet heeft, heeft de vrouw het. En omgekeerd. Tot op dit moment zijn wij een echte ‘compleetheid’.”
Bang voor de verantwoordelijkheid die op de schouders van de directeur rust, is zij nooit geweest. Wat zij wel moeilijk vond, waren de vergaderingen en besprekingen met externe relaties. “Ik heb nooit de ambitie gehad om op de voorgrond te treden en mijn mond te roeren. Ik ben niet zo’n prater. Maar het hoort er wel bij. Gelukkig is commercieel directeur Krielen daar heel goed in. Ik heb het in de loop der jaren wel geleerd, ervaring maakt je wijzer.” Op zoek naar een typerende beschrijving van zichzelf, zegt ze “in de begindagen was ik als een ‘bang vogeltje’.”
De Rotterdamse antwoordt aarzelend op de vraag of zij nu veel ‘last’ heeft gehad van het feit dat zij, ‘de vrouw van’, zijn zaak voortzette. Moest zij zich werkelijk zoveel meer bewijzen? De Visser-Koot vertelt dat de verhoudingen met de buitenwacht weliswaar stroever verliepen, maar reden tot wrok is dit voor haar nooit geweest.

“Natuurlijk word je vaak voor de secretaresse versleten”, vertelt zij berustend. “Maar jezelf bewijzen betekent voor mij gewoon dat je de dingen waarvoor je staat goed doet.” Zij onderscheidt de verschillende reacties: “Je hebt de mensen die afwachten, die denken: ‘ze moet zich maar bewijzen’. Je hebt de mensen die zeggen: ‘nu is haar man overleden en wordt er een blik opengetrokken en komt zij tevoorschijn!’ Je hebt natuurlijk ook de mannen, we leven immers in een mannenwereld, die denken ‘wat moet ze nou, die vrouw, in die functie?’. Tja, het betekent dat je gewoon een stapje harder moet en het net iets beter doen, althans proberen te doen, dan de rest.” Met nadruk voegt zij aan haar constatering toe dat zij nu volledig wordt geaccepteerd. “Het is een kwestie van tijd en ervaring. Op een gegeven moment word je vanzelf geaccepteerd omdat je bewijst dat je daadwerkelijk aanwezig bent. Ik vind dat als je als vrouw de zaken goed doet en met je ziel hiermee bezig bent, dan is het niet zoveel moeilijker. Want alles wat jij uitstraalt, krijg je dubbel en dwars terug.”
Het personeel van Van Zwanenburg heeft nooit moeite gehad met het feit dat mevrouw De Visser-Koot de zaken overnam. Volgens de directeur waren de reacties van de werknemers zelfs fantastisch. Uit haar woorden blijkt dat dit een wederzijdse liefde is die nog steeds niet is bekoeld: “Ik houd van hen en zij houden van mij. Voor de mensen hier hoef ik geen tien stappen te zetten in plaats van vijf!”

Vrouwelijke directeurenclub
Hebben de mannen hun clubs zoals de Rotary, de vrouwen van vandaag hebben deze eveneens. Zo hebben de vrouwelijke managers en directeuren in Nederland zich verzameld in de ‘vrouwelijke directeurenclub’. Niet om bij elkaar te kruipen en te klagen, wel om ervaringen uit te wisselen, seminars te organiseren en natuurlijk omwille van het netwerk zelf. Ook mevrouw De Visser-Koot is lid van deze club. Het vrouwen-netwerk is de noemer waaronder ook andere clubs ressorteren, bijvoorbeeld het ‘Gastronomisch netwerk’ waar De Visser-Koot toe behoort. Tot voor kort was zij ook lid van het ‘senior-managers-netwerk’. Hoe komt zij hierbij en wat heeft zij eraan? “Toen ik pas alleen was, heb ik met een aantal zakenvrouwen gesproken, gewoon om voor mijzelf een stimulans te vinden. Eén van hen was mevrouw Voorbij van de Voorbij Groep uit Wilnis. Zij heeft mij geadviseerd om mij aan te sluiten bij die netwerken. Dat was in 1986. Het vrouwennetwerk leert jezelf wat flinker naar buiten toe te zijn.”

In hetzelfde jaar bezocht De Visser-Koot een seminar. “Een professor vertelde aan de hand van allerlei statistieken een verhaal over de plaats van de vrouw anno 1986 en hoe deze zou kunnen zijn anno 1996. Prachtig, maar: het spreekt mij niet aan. Er was ook een mevrouw die een hoge functie had bij een ministerie, in deeltijd. Nou, ik vind dat ik niet om twaalf uur alles uit mijn handen kan laten vallen en dat Marietje dan alles van mij overneemt! Dat werkt hier niet zo. Toen kwam Sylvia Tóth. Zij sprak over een schaakspel, de functie van de man daarin en, minstens zo belangrijk, de rol van de vrouw: dat je het toch allemaal zelf moet waarmaken. Het sprak mij enorm aan.”

Omdat nog steeds enige onzekerheid — “ben ik wel goed bezig” — aan haar knaagde, besloot De Visser-Koot deze mevrouw Tóth, eens geëerd met de titel zakenvrouw van het jaar, te consulteren. Vragen stelde zij niet, zij deed slechts haar verhaal. “Ik vertelde haar wat ik wilde en dat ik zo graag van haar, als vrouw, wilde horen of ik wel goed bezig was. Je krijgt natuurlijk nooit een antwoord op die dingen. ‘U komt er wel’, zei Toth. Of dat nu wel of niet zo is… ik ben blij dat ik het heb gedaan!” De belangrijkste eigenschap om de Rotterdamse firma goed te leiden, had de directeur in huis. Zij heeft altijd geloof en vertrouwen gehad in Van Zwanenburg. “Daarnaast heb ik mij altijd vastgehouden aan het adagium van onze president-commissaris: ‘zakendoen is nuchter denken, een gezond verstand en gewoon de boel op de rit houden’.”

Een opvolger voor haar bedrijf heeft De Visser-Koot al. Het is zo goed als zeker dat haar zoon in de zaak zal komen. Zij is niet bang dat zij hem als moeder èn als directeur-eigenaar op de slachtbank zal leggen. “Ik denk niet dat mijn zoon zich extra zal moet bewijzen ten aanzien van mij. Zelf heb ik namelijk een voorbeeld gehad, tien jaar lang. Ik ben vrij uitgesproken en mijn man was natuurlijk de baas hier. Ik was het absoluut niet altijd eens met hem. Hij zat in de ene kamer en ik in de andere en de deur stond altijd open. Ik hoorde, zag en wist alles en heb mijzelf echt voorgenomen: ‘je bent ondergeschikt in zijn zaak, hij is de baas dus moet jij je mond houden. Dat wij ’s avonds zaten te debateren en soms een beetje te ruziën, dat is een heel ander verhaal. Maar op de zaak heb ik mij wat dat betreft aan de regels gehouden. En ik neem mij voor dat ook bij mijn zoon te doen. Ik vind dat als je hem een kans geeft, je hem ook de gelegenheid moet geven.”

(Eerder gepubliceerd in FamilieBedrijf, 1995)

0 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *